geen halvering vergoedingsrecht

Een beperkte gemeenschap van goederen is sinds 1 januari 2018 de standaard bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap, waarbij alleen bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk gezamenlijk worden opgebouwd, gemeenschappelijk zijn, terwijl bezittingen en schulden die je al had vóór het huwelijk (zoals een eigen huis, auto) privé blijven, net als schenkingen en erfenissen, tenzij anders bepaald. Een huis dat je al samen hebt gekocht vóór het huwelijk blijft natuurlijk gemeenschappelijk en ook de (hypotheek)schuld die daarbij hoort. Maar wat nu als er sprake is geweest van meerinbreng? Van meerinbreng is sprake als één van partijen meer heeft bijgedragen bij de aankoop van het huis, de verbouwing of wanneer er sprake is geweest van een aflossing op de hypotheekschuld door één van beiden. In dat geval ontstaat een vordering op de ander (een schuld).
Vanwege de formulering van artikel 1:94 lid 7 BW werd lang gedacht dat de schuld wegens meerinbreng ook in de (beperkte) gemeenschap zou vallen, net als de hypotheekschuld, als zijnde verbonden aan het gemeenschappelijk goed, de woning. De vordering zou daarmee halveren. Wat in de gemeenschap is gevallen behoort immers aan partijen gezamenlijk (50/50) toe.
Dat de schuld van de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot die vóór het huwelijk was ontstaan als gevolg van meerinbreng, in de gemeenschap van goederen zou vallen, werd door velen wel als onredelijk gezien maar het stond zo in de wet. Nog steeds trouwens maar de Hoge Raad heeft nu anders geoordeeld, door het artikel een andere uitleg te geven.
De Hoge Raad heeft op 21 maart 2025 geoordeeld dat indien een goed de echtgenoten reeds vóór het huwelijk gezamenlijk toebehoorde en de ene echtgenoot eveneens reeds vóór het huwelijk een vordering op de andere heeft verkregen in verband met een vermogensverschuiving bij de verkrijging van dat goed of de aflossing van een in verband met dat goed aangegane schuld, de met die vordering corresponderende schuld niet op grond van art. 1:94 lid 7 BW in de huwelijksgemeenschap valt. De schuld kan niet gekwalificeerd worden als een schuld betreffende een goed dat reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. Anders dan de verplichting tot het voldoen van de koopsom of de verplichting uit een voor de financiering van de verkrijging aangegane hypotheeklening, ‘betreft’ de schuld immers niet het goed als zodanig. Veeleer heeft de vergoedingsplicht betrekking op de vermogensverschuiving die is opgetreden bij het voldoen aan of aflossen op een schuld als bedoeld in art. 1:94 lid 7 BW. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever met artikel 1:97 lid 7 BW niet bedoeld dat de vordering wegens meerinbreng zou halveren bij het huwelijk.
Deze uitspraak is terug te vinden onder kenmerk: ECLI:NL:HR:2025:436









